Nieuw boek Karen Armstrong ‘De heilige natuur’

VOORPUBLICATIE

23 mei 2022 – Eind mei verschijnt bij Querido het nieuwe boek van Karen Armstrong ‘De heilige natuur’. Hier vast een voorpublicatie van een deel van de inleiding. Het boek gaat over het herstel van onze band met de natuur. “We beginnen te beseffen dat de manier waarop we nu leven, ondanks alle voordelen, niet alleen de ontplooiing van de mens belemmert, maar zelfs het voortbestaan van onze soort bedreigt. We moeten niet alleen onze manier van leven veranderen, maar ons hele systeem van waarden.”

“Mijn eerste bezoek aan het British Museum herinner ik me heel goed. Het is een plek die sindsdien bijzonder vertrouwd en belangrijk voor mij is geworden. Ik was een jonge non en studeerde voor mijn toelating tot de universiteit. Mijn mentor had me gezegd een kijkje te gaan nemen bij de tentoongestelde manuscripten. In die tijd was de British Library in het museum gehuisvest en vol verwondering bezag ik hier de handgeschreven teksten van Wordsworth, Coleridge en Keats. De directe aanwezigheid was bijna schokkend; de tijd leek te zijn gestold.

Ik keek naar het moment waarop deze gedichten, die inmiddels een deel van mezelf waren geworden, waren ontstaan. Ik wilde de manuscripten niet analyseren. Ik wilde gewoon in hun aanwezigheid zijn. Het was een soort eenwording.

Mijn reactie klinkt misschien extreem, maar ik was geen gewone museumbezoeker. Meer dan vier jaar had ik in een klooster geleefd, volledig afgesloten van de buitenwereld. We ontvingen geen nieuwsberichten. Bij wijze van uitzondering kregen we te horen over de Cubacrisis van 1962, maar onze superieuren vergaten het ons te vertellen toen die voorbij was, waardoor we drie weken lang angstig in afwachting waren van het armageddon. Vier jaar lang had ik geen televisie gekeken, geen films gezien, geen kranten gelezen. Ik had geen flauw benul van de sociale revolutie van de jaren zestig. Terwijl ik de manuscripten bestudeerde, gehuld in mijn allesomhullende religieuze habijt, leek ik meer op een in afzondering levend victoriaans meisje dan op een jonge vrouw uit het midden van de twintigste eeuw.

Wanneer ik tegenwoordig zie hoe museumbezoekers de grote relikwieën uit het verleden tegemoet treden, merk ik dat ze niet alleen willen kijken, maar foto’s willen maken. Anders dan mijn jongere ik, lijken ze niet alleen in contact te willen komen met bijvoorbeeld de Steen van Rosetta, maar proberen ze die op de een of andere manier tot hun eigendom te maken, alsof die steen pas echt voor hen bestaat als ze er een virtuele kopie van hebben.

Zijn de veranderingen die ik in de loop van zestig jaar heb meegemaakt, zelfs bij zo’n kleine waargenomen actie, geen afspiegeling van onze veranderde relatie met de natuur? We lopen op een plek van extreme schoonheid, terwijl we in onze telefoons praten of door sociale media scrollen: we zijn aanwezig, maar eigenlijk afwezig. In plaats van contemplatief aan een rivier te zitten of vol ontzag naar een bergketen te staren, nemen we obsessief de ene na de andere foto van het uitzicht.

In plaats van het landschap een intieme plaats te geven in onze geest en ons hart, nemen we afstand van de natuur, die langzamerhand een gesimuleerde werkelijkheid wordt. Ons stadse leven en de alles absorberende technologie hebben ons vervreemd van de natuur, waardoor zelfs de prachtige films van David Attenborough er niet in slagen ons tot in de diepste kern te bereiken. Sommigen van ons zijn zich sterk bewust van dat gevoel van vervreemding en verlies. Maar het is geen recent verschijnsel. De romantische dichters van wie de manuscripten in de British Library mij met zoveel verwondering vervulden, treurden al over onze verbroken relatie met de natuur.

William Wordsworth (1770-1850) herinnerde zich de heldere visie op de wereld die hij als jongen had gekend, maar die hij als volwassene was kwijtgeraakt: Er was een tijd dat weide, bos en beek, De aarde, en alles wat ik zag, Mij leek gekleed in hemels licht, De glorie en de frisheid van een droom. Het is nu niet zoals het ooit was. Keer tot waar ik maar ga. Bij nacht of dag De dingen die ik zag, zie ik niet meer. 

Hij is zich nog steeds bewust van de schoonheid van de natuur, maar weet dat ‘er een glorie van de aarde is verdwenen’. Hij ziet een boom en een veld die beide ‘spreken van iets wat er niet meer is’. Waarheen is de dromerige glans vervlucht? Waar is nu de glorie en de droom?

Op mijn eigen bescheiden manier herinner ik me iets soortgelijks. Ik ben eind jaren veertig opgegroeid op het ongerepte platteland van Worcestershire en herinner me nog goed dat ik mijn verbaasde ouders probeerde te vertellen over iets wat ik ‘putsch’ noemde. Er was geen woord dat ik kende voor wat ik me herinner als een vreemde maar onweerstaanbare helderheid in de bossen en lanen bij ons huis, die ik mijn volwassen metgezellen niet kon doen zien. Ze meenden dat ik dacht aan de feeën die in mijn verhalenboeken stonden afgebeeld, maar het was meer een onpersoonlijke, allesomvattende schittering.

Toen ik eenmaal naar school ging om te worden ingewijd in het rationele wereldbeeld dat het moderne leven beheerst, ervoer ik net als Wordsworth: het ‘licht en de glorie sterven weg, en vervagen in het licht van de gewone dag’. Maar onze veranderde relatie met de natuur is niet alleen een esthetisch verlies. Al vele jaren raken we steeds meer doordrongen van de schade die we toebrengen aan de natuurlijke omgeving en de mogelijk drastische gevolgen voor het menselijk leven.

Weliswaar is het klimaat van de aarde in de loop van millennia voortdurend veranderd, maar tot nu toe was dit altijd een langzaam proces. Nu zijn we getuige van snelle veranderingen. De temperatuur van de aarde en de zeespiegel stijgen in een alarmerend tempo en dit is volledig te wijten aan menselijke activiteit. We weten dat bij de verbranding van fossiele brandstoffen kooldioxide vrijkomt in de atmosfeer van de aarde, waar het wordt ingesloten en leidt tot een stijging van de temperatuur van de aarde.

Als dit niet wordt tegengegaan, komt het menselijk leven in gevaar. Watertekorten zullen het steeds moeilijker maken voedsel te produceren. Sommige regio’s zullen gevaarlijk heet worden, terwijl de stijgende zeespiegel andere regio’s onbewoonbaar maakt. Het poolijs en de gletsjers smelten nu al in rap tempo. Wetenschappers hebben vastgesteld dat een temperatuurstijging van 1,5 graad Celsius een ‘veilige’ limiet is voor de opwarming van de aarde. Als de temperatuur nog meer stijgt, zal het menselijk leven zoals we dat kennen onmogelijk worden.

Terwijl ik deze inleiding in de zomer van 2021 schrijf, heeft de milieucrisis een nieuwe urgentie gekregen. De temperaturen in de Verenigde Staten en Zuid-Europa hebben hun hoogste niveau ooit bereikt, wat heeft geleid tot vernietigende bosbranden die hele woongemeenschappen hebben verwoest. In dezelfde periode zijn Duitsland, België en Nederland getroffen door ongekende overstromingen, die mensen het leven hebben gekost en verschrikkelijke schade hebben aangericht.

Klimaatverandering is niet langer een verontrustende mogelijkheid, ze is een angstwekkende realiteit geworden. Een grote ramp kan alleen worden afgewend als we onze manier van leven veranderen. Deze crisis is veroorzaakt door onze moderne manier van leven, die, ondanks aanzienlijke prestaties, getuigt van fatale tekortkomingen. We beginnen te beseffen dat de manier waarop we nu leven, ondanks alle voordelen, niet alleen de ontplooiing van de mens belemmert, maar zelfs het voortbestaan van onze soort bedreigt. We moeten niet alleen onze manier van leven veranderen, maar ons hele systeem van waarden.

We hebben de natuur geplunderd en alleen maar als een grondstof gebruikt, omdat we in de afgelopen vijfhonderd jaar een wereldbeeld hebben gecultiveerd dat heel anders is dan dat van onze voorouders. Wordsworths perceptie van het heilige van de natuur – haar ‘licht en glorie’ – lijkt misschien op de manier waarop we de wereld zagen toen de mensheid nog in haar kinderschoenen stond. Vandaag de dag bestaat deze oeroude manier van leven alleen nog in een paar resterende gemeenschappen van inheemse tribale volken.

Toen de eerste westerse ontdekkingsreizigers eind achttiende en begin negentiende eeuw in Australië, Afrika en Noord- en Zuid-Amerika een sjamaan in trance zagen gaan, dachten ze dat hij een beleving had van het ‘bovennatuurlijke’ of zijn ‘innerlijke wereld’ verkende. Maar de sjamaan had geen contact met goden en hij maakte evenmin een innerlijke spirituele reis. Hij trad veeleer op als tussenpersoon voor zijn gemeenschap en haar natuurlijke omgeving, en zorgde ervoor dat er een vruchtbare wisselwerking tussen beide was.

Hij had geen idee van wat we het bovennatuurlijke noemen. Hij keek niet voorbij of boven de natuur, noch zocht hij het goddelijke in zichzelf, zoals een moderne mediteerder. De sjamaan projecteert daarentegen zijn bewustzijn naar buiten in de diepten van het landschap, dat voor hem leeft op spiritueel, psychologisch en zintuiglijk vlak. Hij ervaart een bewustzijn dat hij en zijn gemeenschap gemeen hebben met de dieren, insecten en planten om hen heen – zelfs met het korstmos dat op een steen groeit.

Terwijl tribale volken de wederkerigheid tussen henzelf en de natuurlijke omgeving aanvoelen, zien wij, moderne mensen, de omgeving alleen maar als een decor voor menselijke kwesties. Maar in de tijd vóór de ontwikkeling van de moderne westerse beschaving kenden ook onze eigen voorouders dit oeroude inzicht.

De Amerikaanse antropoloog David Abram is ervan overtuigd dat onze moderne westerse gerichtheid op de ‘innerlijke wereld’ en het christelijk idee van een bovennatuurlijke hemel beide het resultaat zijn van een ingrijpende psychische verandering. In een vroeger stadium van onze geschiedenis hebben we de natuur ook als bezield ervaren, maar mettertijd zijn we de natuur gaan beschouwen als mechanisch, prozaïsch en voorspelbaar.

Na vele jaren in nauw contact met inheemse volken van Indonesië en Nepal te hebben geleefd en hun cultuur te hebben bestudeerd, kwam Abram tot het inzicht dat zij een veel sterker ontwikkelde perceptie van de natuur hebben dan wij in het moderne Westen. Sterker nog, tijdens zijn volledige onderdompeling in deze tribale culturen kwam hij erachter dat hij zelf ook een dergelijk inzicht begon te ontwikkelen.

Toen hij op een nacht gedurende een hevige regenbui in een grot schuilde, raakte hij gefascineerd bij het zien van twee spinnen die een uitgebreid web weefden, waarbij ze het ene na het andere ingewikkelde en fraaie patroon sponnen: Van hen leerde ik de intelligentie kennen die in de niet-menselijke natuur schuilt… en die je open laat staan voor een wereld die leeft, wakker en bewust is. Van zulke kleine wezens leerden mijn zintuigen voor het eerst iets van de ontelbare werelden binnen werelden die ronddraaien in de diepten van deze wereld die we gewoon bewonen, en van hen leerde ik dat mijn lichaam met de nodige oefening via de zintuigen deze dimensies kon binnentreden.

Na verloop van tijd merkte hij dat hij tot dan toe onontdekte niveaus van bewustzijn ervoer. Abram besefte dat wanneer een sjamaan sprak over een ‘kracht’ of ‘aanwezigheid’ in de hoek van zijn huis, een zonnestraal die een kolom stof deed oplichten inderdaad een kracht was, een actieve aanwezigheid die niet alleen de luchtstromen doordrenkte van warmte, maar ook de stemming in de kamer veranderde. Wanneer hij over onverharde paden door het landschap liep, leerde hij zijn tempo te vertragen en zich bewust te worden van het spirituele en fysieke verschil tussen de ene heuvel en de andere.

Voor de meesten van ons is zoiets een vreemde ervaring. We zijn ondergedompeld in het stadsleven en trekken ons steeds meer terug uit de wereld van de natuur in de richting van de technologie. Waar wij een reeks afzonderlijke wezens en verschijnselen opmerken, zien tribale volken een continuüm van tijd en ruimte, waar dieren, planten en mensen allemaal doordrenkt zijn van een immanente heilige kracht die hen tot een geheel samenbrengt.

Duizenden jaren lang, ver voor de ontwikkeling van de stedelijke beschaving, was dit waarschijnlijk hoe de meeste mensen de natuurlijke wereld ervoeren. De eerste westerse ontdekkingsreizigers gingen ervan uit dat de ‘onbeschaafde inboorlingen’ die ze tegenkwamen deze vreemde overtuigingen aanhingen omdat hun hersenen onvoldoende ontwikkeld waren. Maar de Franse antropoloog Lucien Lévy-Bruhl (1857-1939) was ervan overtuigd dat ze in neurologisch opzicht identiek waren aan de onze. Wanneer ze voor een praktisch probleem stonden, waren ze in staat snel en efficiënt te reageren en het met vaardigheid en inzicht op te lossen. Hun geest was niet anders dan de onze, concludeerde hij; ze maakten alleen gebruik van andere delen van de hersenen.

Moderne neurologen zijn het hier waarschijnlijk mee eens. Ze hebben erop gewezen dat wij in het moderne Westen meer vertrouwen op de linkerhersenhelft, waar het rationele en pragmatische denken zetelt, terwijl tribale volken een wereldbeeld hebben via de rechterhersenhelft, waarmee ze verbanden zien tussen dingen; de rechterhersenhelft is dan ook de bron van poëzie, muziek, kunst en religie. Lévy-Bruhl gebruikte de term ‘participatie’ om de logica van inheemse volken te beschrijven, die niet alleen mensen en dieren maar ook schijnbaar ‘levenloze’ objecten, zoals stenen en planten, ervaren als levende wezens, die elk op zich deelhebben aan dezelfde wijze van bestaan en ook invloed op elkaar uitoefenen.

De essentie van dit ‘participerende’ begrip van de natuurlijke wereld is niet uitgestorven met de komst van de beschaving. In elke cultuur kwam dit begrip op een andere manier tot uitdrukking, maar tot de komst van de westerse moderniteit bleef het in de hele wereld in wezen gelijk. We zullen zien dat de mensen in de vroege beschavingen de macht die de kosmos bestuurde niet ervoeren als een bovennatuurlijke, verre en afzonderlijke ‘God’. Deze macht was veeleer een intrinsieke aanwezigheid die ze, net als de negentiende-eeuwse sjamaan, ervoeren in rituelen en contemplatie – een kracht waarvan alle dingen doordrenkt waren, een transcendent mysterie dat niet duidelijk te omschrijven was.

In het oude Midden-Oosten was ilam, dat in het Akkadisch ‘goddelijkheid’ betekent, een schitterende kracht die elke afzonderlijke godheid te boven ging. In India was brahman, de ultieme werkelijkheid, ondefinieerbaar; het ging om een heilige energie die dieper, hoger en fundamenteler was dan de deva’s, de goden die in de natuur aanwezig waren maar geen macht over de natuurlijke orde hadden. In China werd de ultieme werkelijkheid gevormd door de tao, de fundamentele ‘weg’ van de kosmos; er kon niets over worden gezegd omdat het alle normale categorieën te boven ging. Het monotheïsme, het geloof in één enkele God, dat centraal staat in het geloof van joden, christenen en moslims, vormde de grote uitzondering.

In het begin van de Hebreeuwse Bijbel, in het eerste hoofdstuk van Genesis, geeft God de eerste mensen een opdracht die hun volledige heerschappij over de natuurlijke wereld geeft: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde en breng haar onder je gezag: heers over de vissen van de zee, over de vogels van de hemel en over alle dieren die op aarde rondkruipen.’ In tegenstelling tot de andere geschriften die we zullen bespreken, is de Hebreeuwse Bijbel niet gericht op de heiligheid van de natuur, omdat het volk Israël het goddelijke vooral ervoer in het menselijke gebeuren en niet zozeer in de natuurlijke wereld.

De godsdiensthistoricus Mircea Eliade (1907-1986) stelde dat dit het eerste volk was dat de geschiedenis zag als een aaneenschakeling van unieke en niet-herhaalbare gebeurtenissen. Terwijl de oude Egyptenaren de jaarlijkse overstroming van de Nijl en het opkomen en het ondergaan van de zon als goddelijke gebeurtenissen beschouwden, zagen de Israëlieten de hand van hun god Jahweh in de gebeurtenissen van hun verleden en de politieke uitdagingen van hun heden. De heiligheid van de natuur was echter nog zo diep verankerd in de menselijke psyche dat sommige joden en christenen die op hun eigen manier eveneens bevestigden. En moslims stelden die, zoals we nog zullen zien, centraal in hun geloof. Maar in het vroegmoderne Europa werd de connectie tussen de natuur en het goddelijke verbroken, en begonnen de christenen ‘God’ los te zien van de wereld.

Oorspronkelijk hadden Europese christenen, net als de volken van het Midden-Oosten, India en China, het heilige gezien als een alomtegenwoordige kracht waarvan de natuurlijke wereld doordrenkt was en die afzonderlijke ongelijksoortige elementen van het universum samenbracht. De dominicaner theoloog Thomas van Aquino (1225-1274) had in zijn gezaghebbende Summa Theologiae uiteengezet dat God niet beperkt was tot een bovennatuurlijke hemel, maar ‘overal in alles aanwezig’ was. God was niet een bepaald wezen maar juist ‘het zijn zelf’ (esse seipsum), de goddelijke essentie in het hart van alle dingen. God was alles wat is, stelde Thomas, dus ‘waar God bestaat, bestaat hij volledig’. Maar de theologie van Thomas werd verdrongen door een radicale verschuiving in het westerse concept van het goddelijke.

In de veertiende eeuw verdiepten studenten aan de universiteiten van Parijs, Oxford en Bologna zich in logica, wiskunde en aristotelische wetenschap voordat ze zich aan hun theologische studie wijdden. En wanneer ze de theologische opleiding volgden, waren ze al zo goed onderlegd in logisch denken dat ze theologische kwesties instinctief in rationele termen probeerden te beschrijven. De franciscaner filosoof Johannes Duns Scotus (1265-1308) ontwikkelde als een van de eersten een rationele, bijna wetenschappelijke theologie. Als gevolg hiervan begonnen de mensen in het westerse christendom God te beschouwen als een bepaald wezen – zij het van een superieure soort – in plaats van ‘het zijn zelf’. En binnen de kortste keren braken ze helemaal met de traditionele opvatting van het heilige.

De Engelse filosoof Francis Bacon (1561-1626) ging een stap verder dan de middeleeuwse rationalisten en werd een voortrekker in een hoofdzakelijk empirische filosofie. Hij stelde dat de mens door zorgvuldig en experimenteel onderzoek van de verschijnselen in de natuur de wetten kon ontdekken die deze krachten beheersten en dan in staat was de natuur tot zijn eigen voordeel te gebruiken. Kennis was macht, volgens Bacon. God had Adam duidelijke instructies gegeven om ‘de aarde te bevolken en te veroveren’, maar Gods oorspronkelijke plan was gedwarsboomd door de ongehoorzaamheid van Adam. Het was nu tijd voor de filosofen om de door de zondeval aangerichte schade te herstellen en tijd voor de mensen om te breken met de ingesleten – heidense – gewoonte om de natuur te vereren. Ze moesten de aarde beheersen en onderwerpen zoals God had bevolen. De natuur was niet langer een theofanie, een manifestatie van het goddelijke; ze was handelswaar die moest worden geëxploiteerd.”

Dit is de eerste helft van de inleiding van het nog te verschijnen boek ‘De heilige natuur’ van Karen Armstrong. Het boek verschijnt eind mei 2022 bij Uitgeverij Querido.

Leave a Reply

Your email address will not be published.